Redding

Omdat er nog geen reddingsboot in ‘De Lemmer’ was, was het vroeger de gewoonte de hulp van vissers te vragen, wanneer een schip op de Zuiderzee in nood zat. Een beschrijving van één van die reddingen volgt hieronder, omdat mijn grootvader, Jacob Visser, daaraan heeft meegedaan.

In de nacht van 15 op 16 maart 1906 kwam het stoomschip “Leeuwarden II”, die een vrachtdienst onderhield tussen Leeuwarden en Amsterdam in vliegende storm onderweg van Amsterdam en De Lemmer in grote problemen. De plotseling opgestoken storm had de bemanning verrast en zij hadden dan ook geen voorzieningen kunnen treffen.

De sluismeesters op de haven van de De Lemmer hadden ’s nacht wel de lichten van het schip gezien, maar ’s morgens bleek dat de Leeuwarden II niet in de haven was gearriveerd. Een aantal vissers in de haven werd gealarmeerd en vertelt dat het stoomschip wel was gesignaleerd, maar niet in De Lemmer was aangekomen. Waarschijnlijk was het schip vergaan, maar wat was er met de bemanning gebeurd? In De Lemmer aarzelde men niet lang.

Steven Visser, gooide de trossen los van zijn vrij nieuwe ijzeren Lemster aak, de LE 74, en voer met een aantal vissers, waaronder mijn grootvader (“Japie van Kleis”) en Renze Hoekstra, Harm en Teade Wouda en Andries Scheffer de haven uit. Stampend op de wilde Zuiderzee zocht de LE 74, gebouwd op de Lemster scheepswerf van De Boer, naar het ongelukkige stoomschip. Het duurde uren voordat de opvarenden van de LE 74 tussen Schokland en De Lemmer iets zagen.

In de verte stak tegen de inktzwarte lucht een mast met gaffel (om het slingeren tegen te gaan hadden stoomschepen in die tijd ook een zeiltje op, vandaar een gaffel) boven het water uit, waaruit door mensen werd gezwaaid. Het bleek de vierkoppige bemanning te zijn van de Leeuwarden II.
Tijdens de storm waren de luiken van het schip weggeslagen, waarna het met water was volgelopen en gezonken. De bemanning, bestaande uit kapitein, stuurman, machinist en matroos, waren in de mast op de gaffel geklommen en waren daar totaal verkleumd op redding gaan wachten. Maar veel langer had het niet moeten duren!

De LE 74 ging voor anker en met een vlet, die door middel van een touw met de aak bleef verbonden, werd de bemanning van de Leeuwarden II (die geen reddingsboot aan boord had!) uit de mast gehaald en naar de aak gebracht.

Een moedige, maar ook levensgevaarlijke daad! Bij de lekker snorrende kachel in het vooronder, werden de schipbreukelingen opgelapt en konden ze op verhaal komen. En daarna ging weer over de woeste zee terug naar De Lemmer.

Voor deze redding kreeg Steven Visser een beloning van 50 gulden (het was per slot van rekening zijn schip) en de andere vissers 25 gulden, alsmede een bronzen medaille en oorkonde van de Koninklijke Zuid-Hollandsche Maatschappij tot redding van schipbreukelingen. Ook Jacob Kleis Visser, kreeg deze medaille en oorkonde voor zijn “stoutmoedig en menslievend gedrag bij het redden van de bemanning der grote stoomboot Leeuwarden II”.

De grote bronzen medaille van de Z.H.M.R.S. aan Steven Visser, bijgenaamd “Grote Steven”, inzake de redding der equipage van het ss “LEEUWARDEN II”, Kapitein Harmen Doornspleet, in de nacht van 11 op 12 maart 1906, niet ver uit de kust van de Lemmer tijdens zwaar weer gezonken. De vier opvarenden, die zich aan de mast hadden vastgeklemd, zijn hedenmorgen 7 uur door vissers van hier (Lemmer) met levensgevaar gered. De 29ste maart 1906 werd de “LEEUWARDEN II” door aannemer de Boer gelicht en naar de Lemmer gesleept om op de de werf te worden nagezien.